Hoe ziet een kip er uit?
Volwassen kippen hebben een verenkleed waarmee ze zich warm houden en ook een beetje kunnen vliegen (fladderen). Ze kunnen dus niet ver of hoog vliegen. De pasgeboren jongen (kuikens) zijn bedekt met zacht dons die al na 3 weken wordt vervangen door veertjes. Aan het einde van de zomer gaan de kippen in de rui en vernieuwt het verenkleed. De poten zijn geschubd en hebben 4 tenen met scherpe nagels. Drie tenen staan naar voren en eentje naar achteren. Hiermee kunnen ze goed om takken grijpen wanneer ze op stok gaan en ook de grond wegkrabben op zoek naar voedsel. Kippen hebben kleine ogen maar zien meer kleuren dan mensen, bijvoorbeeld ook ultraviolet. Ze kunnen tegelijkertijd in de verte en dichtbij iets zien. Kippen en hanen zijn getooid met een kam op hun kop. Omdat kippen niet zweten gebruiken ze hun kam om warmte kwijt te raken. Daarnaast geeft de kleur van de kam aan of een kip gezond is (rood). Zijn de kam en ook de lellen onder hun kin bleek dan is er iets aan de hand. Bovenop de snavel zitten twee kleine neusgaten. Het puntje van de snavel is erg gevoelig. Hiermee kan de kip goed voedsel vastpakken maar ook het verenkleed onderhouden. De snavel groeit langzaam door en daarom slijpt de kip deze zelf door bijvoorbeeld langs een steen te ‘slijpen’.
Groepen
Van nature leven kippen in groepen, bestaand uit een haan, een aantal hennen en hun kuikens. Binnen de groep is er één leider en daaronder is er steeds weer een kip de baas van een volgende kip. We noemen dit de pikorde. De hogere in rang pikt de rang lagere. De haan waarschuwt als er gevaar dreigt en hij verdedigt de hennen en het territorium. Hij brengt de hennen naar het voedsel en zoekt voor hen een veilige slaapplaats (in het wild vaak in bomen). Kippen zijn de hele dag aan het zoeken naar voedsel: zaden, insecten, wormen en dergelijke. Verder nemen ze af en toe een stofbad en verzorgen ze hun veren met het vet uit de stuitklier. Een kip gaat eens per jaar in de rui, meestal late zomer of herfst. De hen legt dan in het algemeen geen eieren, de kam en lellen worden kleiner en de kop wordt bleek.